Hoe vermijd je steenkolenengels? | 5 tips

Van alle landen die het Engels niet als moedertaal hebben, presteert Nederland het beste op het gebied van Engelse taalvaardigheid. Nederlanders kunnen dus een prima woordje Engels. Toch gaat er af en toe het één en ander mis. Van spreekwoorden die in het Engels volledig de plank misslaan tot Nederlanders die het Engels zó Hollands uitspreken dat ze niet te verstaan zijn. Dit fenomeen, dat in de volksmond ook wel steenkolenengels wordt genoemd, heeft zelfs in het Engels een eigen term gekregen: Dunglish. De vraag is dus: waarom klinkt ons Engels nou niet Engels? En belangrijker: hoe vermijd je het? Hieronder geef ik je 5 tips om je Engels nét wat Engelser te laten klinken.

1. Kijk uit voor false friends

False friends zijn woorden die veel op elkaar lijken, maar niet hetzelfde betekenen. Kijk hier dus mee uit, want je zou wel eens iets heel anders kunnen zeggen dan je bedoelt! Hier een aantal voorbeelden van veel voorkomende false friends:

eventual – uiteindelijk | eventueel – possible/any

actual – werkelijk | actueel – current

control – beheersen | controleren – check

meaning – betekenis | mening – opinion

 

2. … en ook voor niet-bestaand Engels

In het Nederlands hebben we een aantal woorden afgeleid van het Engels. Deze woorden zijn heel gebruikelijk in het Nederlands, maar kunnen voor verwarring zorgen bij Engelse gesprekspartners: ze bestaan namelijk helemaal niet! Hier een aantal voorbeelden van Engels-klinkende woorden die niet bestaan in het Engels:

beamer – projector

airco – air conditioning/AC

oldtimer – vintage car

smoking – tuxedo

(baby) box – mini crib

panty – tights

 

3. Oefen op uitspraak

Het Engels kent een aantal klanken die wij in het Nederlands niet kennen. Een voorbeeld hiervan is de ‘æ’. Zoals het teken al doet vermoeden, is dit een combinatie van een a-klank en een e-klank tegelijkertijd. Woorden zoals ‘happy’ worden dus niet uitgesproken als ‘heppy’, maar als ‘hæppy’.

Ook kent het Engels de ‘th’ klank, die uitgesproken wordt door het puntje van je tong tussen je boven- en ondertanden te houden en dan te blazen. Woorden zoals ‘birthday’ worden dus niet uitgesproken als ‘birsday’, net als dat ‘then’ niet wordt uitgsproken als ‘den’.

Tot slot is het belangrijk om te letten op de d’s aan het einde van woorden. In het Nederlands spreken we deze d’s uit als een ‘t’, zoals in ‘grond’ en ‘geluid’, maar in het Engels wordt de ‘d’ duidelijker uitgesproken. Als je dit niet doet zou er verwarring kunnen ontstaan tussen bijvoorbeeld ‘bad’ (slecht) en ‘bat’ (vleermuis).

 

4. Let op je interpunctie

In het Engels worden andere regels gehanteerd wat betreft komma’s en punten. Bij bedragen en getallen gebruiken wij een komma, maar in het Engels vervang je die door een punt. Hierdoor wordt het bedrag €8,99 vervangen door $8.99 of £8.99.

Ook gebruiken wij in het Nederlands een accentstreepje om iets in de zin te benadrukken. Een voorbeeld hiervan is: ‘Morgen snikheet: draag wél linnen, géén polyester’. Dit kan niet in het Engels. Gebruik hiervoor het schuingedrukte lettertype of bedenk een andere zinsconstructie, maar laat de accentstreepjes achterwege in je teksten.

 

5. Kies de juiste apostrof

Meervoud:

In het Nederlands wordt de apostrof gebruikt om verwarring over uitspraak te voorkomen. Daarom wordt het meervoud van ‘opa’ niet ‘opas’ maar ‘opa’s’. Hetzelfde geldt voor ski’s, auto’s en baby’s. In het Engels wordt dat op een andere manier opgelost: door het woord op een andere manier te vervoegen. Probleemgevallen als ‘baby’ en ‘city’ worden daarom ‘babies’ en ‘cities’.

Bezit:

Als je een bezit wilt aanduiden in het Nederlands, gebruik je de vorm apostrof+s. Voorbeelden hiervan zijn ‘opa’s huis’ en ‘Leo’s huis’. Woorden die eindigen op een s-klank krijgen alleen een apostrof: ‘Alex’ huis’ en ‘Alice’ huis’.

In het Engels geldt precies dezelfde regel: eindigt het woord op een ‘s’, dan krijgt het alleen een apostrof, zoals in ‘three cats’ toys’. Als het woord niet eindigt op een ‘s’, dan gebruik je de vorm apostrof+s: ‘my cat’s toys’.

Eén uitzondering op die regel geldt voor het woord ‘it’. Het bezittelijk voornaamwoord hiervoor is ‘its’, en niet ‘it’s’. Dat komt omdat ‘it’s’ al iets anders betekent: het is namelijk een afkorting voor ‘it is’.

 

Wat zijn jouw tips voor het upgraden van je Engelse vaardigheid? Laat het me weten in een reactie!

 

 

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *